door aandewaterkant

Het is niet goed, dat roken. Vaak zit ik ‘ avonds in het donker onder het afdak. Altijd op diezelfde plek kijk ik dan de tuin in. De contouren van de smeedijzeren vlinder zijn zichtbaar. Daarachter zie ik de omvang van de winterprei. Schoon op een rijtje ondanks dat ik ze snel tussendoor geplant heb. Zinnia’s bloeien nog groots en ook hen zie ik afgelijnd. Het kleine glazen potje zit te vol met peuken en drijven in het water van de laatste dagen.

Het moet nu maar even, denk ik bij mezelf. Inhalerend word ik rustig. Troost in iets wat dodelijk is.

Vandaag was ik wat vroeger thuis. Boven loop ik door de grote maar vooral lege kamer. Een zoon is vertrokken en woont nu samen met zijn drie vrienden in een groot huis. In het laat bracht ik hem gisteren een bezoekje. Zag en sprak dat het goed was zoals het nu is.

Moederen lijk ik minder te doen de laatste tijd. Gewoonweg omdat het niet meer zo nodig is. Het lijkt de omgekeerde wereld waarin de jongens datums noteren om mij te komen helpen. En berichtjes sturen of alles wel goed gaat. Ik praat met hen over mijn beslissing. Mijn, ons, geluk is het belangrijkste dus steunen ze volop ondanks hun eigen verdriet. Ik weet dat ook zij de weg van verwerking zelf moeten doen en ik kan alleen maar hopen dat ze er de tijd voor nemen.

Morgen zit ik bij mijn grootmoeder aan de avondtafel. Zij weent aan de telefoon en wil absoluut voor me koken. Omdat ze denkt dat ik niet goed voor mezelf zorg.

Ik stel haar gerust.

Advertenties