door aandewaterkant

Na de zoveelste vergadering deze week, stap ik snel mijn auto in. Richting boerderij. Als ik het erf op rijd, hangen twee paardenhoofden uit hun stal. Ze weten wat ik kom doen en blazen daarbij eens flink door hun neusgaten. Het wederzijds vertrouwen is gegroeid de laatste weken. Voor mij lijken de paarden niet zo immens groot meer. Op schouderhoogte hangen hun hoofden juist niet tegen me aan. Ontspannen stappen ze waar ik hen naartoe breng. Naar de weide dus, met vers hooi.

Terwijl ik wandel denk ik aan andere dingen tot ik in de verte een persoon zie afkomen. Dichterbij gekomen kan ik duidelijk zien dat ze niet op het weer gekleed is. Haar topje en broek zijn doorweekt. En er ontbreken schoenen aan die smalle voetjes.

Gejaagd, opgejaagd kijkt ze me aan. Hoe ze te voet richting Antwerpen moet, alsof dat normaal is op blote voeten en bijna zonder kleren. Met aan mijn rechterhand hand een paard, dat ongelofelijk rustig blijft staan, probeer ik haar de boerderij binnen te krijgen. Dat het te koud is, en gevaarlijk zonder schoenen.

Ze wil enkel richting Antwerpen. Weg van een internering en de psychiatrie. Dat ik ook niet dichterbij moet komen en dat ze niet bang is van het paard.

Kom met mij het paard in de stal zetten en dan gaan we samen aan de open haard zitten om wat op te warmen. Daarbij doe ik mijn best om haar blik te vangen. Ik probeer lichaamscontact te maken en zie ik haar armen. Vol met littekens die niets aan de verbeelding overlaten.

Uiteindelijk loopt ze weg van mij en het paard. Richting snelweg, op blote voeten en een topje.

Dat jonge meisje, met lang zwart haar, helemaal in paniek zit in mijn gedachten. Ik kon haar niet helpen, met of zonder paard aan mijn hand. Al sinds zaterdag zie ik ook steeds ogen van een naakte jongen in zijn cel.

Er zit geen oordeel of veroordeling in mijn hoofd. Alleen een isolerende eenzaamheid die zich vertaalt in dit meisje en die jongen. Dat zij niet de enige zijn, is in deze geen troost.

Advertenties