aandewaterkant

aandewaterkant

Maand: mei, 2012

Mijn balans heb ik al geschreven. Over hoe het begon en verder moet na twee jaar beeldhouwen. Ik heb veel geleerd over werken naar de anatomie. Hoe menselijke proporties en lichaamstaal een krachtige dynamiek vormen. Een beeld opbouwen doe je van binnen uit, vanuit het skelet dat je leert zien zonder dat het echt zichtbaar is.

De academie is een zegen. Wanneer ik het gebouw binnen ga en de geur van verf ruik, lijk ik een ander mens te worden en voel ik de vrijheid om te mogen creëren. De mensen die ik er tegenkom, zijn met hetzelfde bezig. Ik volg een positieve stroom van gedrevenheid.

In het atelier zit ik tegenover haar. De docente die mijn werk en evolutie gaat beoordelen. Na het lezen van mijn balans en mijn wens om naar monumentale kunst over te stappen, probeert ze me te overtuigen om bij het beeldhouwen te blijven.

Ik vertel haar dat het soms teveel is. Het werken naar de realiteit en het geconcentreerd opbouwen. Dat mijn creatief proces lijkt stil te staan omdat ik teveel moet nadenken en dat mijn academiebezigheden er juist zijn om mijn hoofd eens een tijdje stil te zetten.

Wat wil je dan, vraagt ze, en ik vertel. Over mijn denken aan werken vanuit een ruimte, met verschillende materialen en disciplines. De beelden in mijn hoofd kunnen vastleggen in beeld en vorm. Zonder beperkingen in tijd.

Ze begrijpt wat ik bedoel. Het gesprek is bijzonder inspirerend en voor mij is het kunst in woordentaal. Zonder meer een rijkdom die ik koester, wat het volgende schooljaar ook zal brengen.

Een week, zeven dagen en zoveel uren en minuten. Zolang is het geleden dat ik in een tuinstoel luisterde naar het doffe geluid van neerkomend droog zand. Het diepe gat waarin mijn lieve viervoeter op zijn eigen matje voor altijd gaat liggen slapen. Zijn vacht blinkt nog, en zijn snoet lijkt zelfs een beetje te lachen. De eerste schep is de moeilijkste, dat zie ik aan de manier waarop de huisgenoot de spade hanteert.

Na een tijdje begin ik rond te lopen in de tuin. Mijn mooiste stenen zijn voor hem, daar op zijn plekje. Ik huil tranen, en veel. Maar hij is wel terug thuis, voor eeuwig op de grond waar hij huppelde en sprong. Ballen kon hij in de lucht vangen en nadien was het hijgen en lachen, vooral ik dan. Met de leiband kon ik hem bij me krijgen en vaak vertelde ik dan wat een geluk hij had. Al die aandacht en wandelplezier.

Een hele week heb ik niet gestapt. Geen rustgevende avondwandeling of frisse ochtend stappen meer. Zonder die kwispelstaart, kan ik het niet. Vanuit gemis spring ik wel eens op de fiets maar alleen op twee wielen is het helemaal anders.

Stilaan vind ik een plek zonder mijn stapvriend. Het voelt op zijn zachtst gezegd raar, en eenzaam. Geen vacht om mijn neus in te verstoppen en rollebollen over het gras doe ik ook niet meer.

Ik beleefde deze week een einde van een prachtig verhaal. Het heeft me stil gemaakt.

Heimwee naar de camino, mompelt ze en met haar ontvleesde, iele handen wrijft ze over de kaft van mijn boek. Zo brengt ze me op een verkeerd spoor. Want haar ogen vertellen me van de waas waarin ze leeft onder het dementiebewind.

Een helder moment gaf haar de kans om de titel te lezen maar dan verdwijnt ze. Ik zie het gebeuren en laat het boek even op haar schoot rusten.

Het bejaardentehuis waar ik ga vertellen over mijn tocht naar Compostela voelt eerder als een hotel. De houten vloeren zijn opgeblonken en overal heersen dezelfde neutrale kleuren. Met zachte handen worden mensen aangemaand tot stappen.

Als ik de stad Burgos aanhaal, praat er plots iemand hardop over de magnifieke kathedraal. Jaren geleden gingen mijn man en ik samen op weg, verhaalt ze. Zelfs vooraan hoor ik hoe ze de krop in haar keel probeert door te slikken. Overmand door emoties bij de gedachte aan het leven van weleer.

De foto’s die ik één voor één op het grote scherm programmeer, maken dat ik weer helemaal op tocht ben. De ogen die getuigen van een lang leven kijken me doordringend aan. Terwijl mijn hart overloopt van respect voor zoveel levenswijsheid.

Ik krijg een droge keel terwijl de beelden op mijn netvlies alsmaar levendiger voelen. Van de weg, het op weg zijn en haar mensen en dieren. Uren later rijd ik op mijn fiets door de striemende regen naar huis. Bedolven onder een rugzak vol Camino herinneringen.

Die nacht slaap ik goed, intens rustig. Gedraaid in een deken van thuis met geluiden van eigen bodem. Mijn lichaam koesterend in rust.

 

Het gevoel is sluimerend aanwezig en aan de waterkant kan ik het er wel eens over hebben. Als moeder voel ik het al jaren. Een verbinding die samensmolt ergens aan het begin van nieuw leven binnen in mij. Jaren geleden ondertussen maar sommige dagen actueler dan ooit.

Als ze maar gelukkig zijn, denk ik dan, terwijl ik mezelf realistisch toespreek en vergelijk met mijn eigen leven, bont geschakeerd en veranderlijk. Het kent tranen van geluk en andere. De vloeiende beweging van intense rust naar jankende onmacht. Vaak stoot ik mijn tenen opnieuw aan stenen die als rotsen blijven liggen en geen millimeter wijken.

Zo is het ook bij de ondertussen volwassen mensen die ik op de wereld gezet heb. Mijn kinderen en de levensreis die ieder van ons maakt. Enkel door mij, niet van mij, volgens de poëet. Dat is het ook niet echt. Ik laat hen los, vrij. Maar hun worsteling die ik zie en laat gebeuren omdat het nu eenmaal bij het leven hoort, vind ik bezwarend voor mijn moederhart.

Daarom koos ik voor een leven zonder kinderen, vertelt ze, terwijl we over het prachtige natuurdomein kijken en ik van een kop koffie nip. Ik dacht dat ik die zorg niet aan zou kunnen en ik heb er geen spijt van, gaat ze verder. Ik begrijp wat je wilt zeggen, antwoord ik haar, en haar leven komt me plots erg aantrekkelijk over. Wat zou het zijn als ik enkel mijn leven had? Zonder die schakel met het slot dat nooit volledig open zal gaan.

Tot ik mijn twee kerels met hun baarden van een dag of twee zie. Ogen en gezichten die barsten van levenslust. Of bleek van triestigheid en afscheid nemen. Ze kunnen me dan streng toespreken. Maak je geen zorgen over mijn zorgen, vertellen ze hun moeder. En ik die dan even slik. En slik.

Het wordt vaak gezegd. Althans in mijn omgeving en ook ik bezondig me eraan. Het is altijd goedbedoeld, dat is zeker.

Loslaten is een werkwoord met veel synoniemen. De vrijheid geven, loslaten, verlossen.

Terwijl ik telkens opnieuw mijn blik door de tuin laat glijden, die overigens uit zijn groene voegen barst, prent ik dezelfde boodschap in. Het randje wetenschap dat ik in me draag over loslaten, ken ik onderhand wel. Maar het beleven zoals ik de wetenschap ken lijkt moeilijker dan ik dacht, ook nu ik weer een jaar ouder geworden ben. En wijzer, in ieder geval, maar nooit bedachtzaam genoeg.

Het heeft alles bij elkaar genomen met liefde te maken, lees ik ergens. Dat kan natuurlijk maar dat is mij dan weer niet gegeven. Uit naam van de liefde of in vredesnaam gaat niet alles over een leien dakje. Als een restje stromend water na een plensbui.

Dus blijf ik zoeken naar wat loslaten is en nog meer naar de praktische kant. Iemand tips?

 

De slaap was onrustig en luistert vaak naar de geluiden die binnen komen via spleten en kieren. Krijsende katten vechten een dominantiespel uit, ook vlakbij het raam. Snurken hoor ik ook en te warm eveneens.

Ik besluit te dromen over het beschermend deken dat de nacht zou kunnen zijn. Het opbollend karakter als het in de lucht wordt gegooid en als een bol vol lucht neerkomt. De eventuele lichtheid van de nacht met zich meedraagt.

De kunst is om de ogen gesloten te houden en te doen alsof de donkerte niet zo dreigend is. Halsstarrig blijven  denken dat je zo weer in dromenland bent. Terwijl de wetenschap van andere wakkere nachten al te helder voor de geest staat.

Dan is er altijd weer die ochtend. Met haar licht en frisheid. Meer dan welgekomen ook.

Het gaat niet. Dat schrijven met glurende ogen achter mij. De woorden die ik anderen hoor herhalen nadat ze mij gelezen hebben. Mijn ingehouden vingers die vooral schrijven over het geluk in de tuin. Versta me niet verkeerd, een niet te onderschatten geluk. Spontaan, schrijf ik al maanden niet meer. Het blijft ergens zitten, vast.

Daarom ga ik maar eens aan de waterkant zitten. Op een zachte ronde steen terwijl de geluiden rondom mij enkel lente uitademen. Het water staat tot aan de rand en barst van leven. Meer symboliek heb ik niet nodig.

De laatste twee jaar doe ik vaak aan overleven, trotseren en voortgaan. Creativiteit wordt hierdoor volledig afgeremd. Geen stroom meer van binnenuit, enkel een slijmspoor dat zijn signatuur vaag achter laat.

Het ontrafelen van draden van leven en doorleven kan voor mij niet zonder schrijftaal. Geen woorden zijn gesmeerd genoeg.

Dit begin is nieuw, zo zou je het kunnen lezen. Herademen hier, op mijn eigen plek.